‘t Is geen loterij... Iedereen wint erbij!

Het aanvullend pensioen

Iedereen heeft recht op een wettelijk pensioen, de eerste pijler. Maar naast het wettelijk pensioen leggen veel werknemers ook een aanvullend pensioen aan dat mee gefinancierd wordt door hun werkgever of een sectorfonds. Dit systeem noemen we de ‘tweede pijler’.

 

Bij deze aanvullende pensioenopbouw, die een fiscale voorkeursbehandeling krijgt, draag je bijv. een deelt van je salaris af aan een groepsverzekering waar ook je werkgever aan bijdraagt.

 

Dit pensioen wordt opgebouwd door kapitalisatie: de werkgever en eventueel ook de werknemer betalen elke maand een bijdrage om een kapitaal aan te leggen dat bij pensionering wordt uitgekeerd.

 

Driekwart van de werknemers

In 2003 werd de wet op de aanvullende pensioenen grondig gewijzigd om zoveel mogelijk werknemers in staat te stellen een aanvullend pensioen aan te leggen. Hiertoe verlaagde men de sociale bijdrage van 32% naar 8,86%. Het resultaat? Ongeveer 75% van de werknemers (2,5 miljoen mensen) heeft een aanvullend pensioensysteem.

 

Grote ongelijkheid

Het idee is goed. Maar de immense verschillen tussen de bijdragen en dus tussen de pensioenbedragen die worden aangelegd, zijn problematisch.

 

Vermits de bijdrage meestal een percentage van het salaris is, hebben de loonverschillen ook gevolgen voor het bedrag van het aanvullend pensioen.

 

Met andere woorden, wie veel verdient, heeft een hoger aanvullend pensioen en wie een klein loontje heeft, krijgt een zeer laag aanvullend pensioen.

 

Het verschil in verloning tussen vrouwen en mannen, vrouwen verdienen in België immers gemiddeld een vijfde of 20% minder dan mannen, wordt ook in het aanvullend pensioen weerspiegeld.

 

Vaak een laag aanvullend pensioen

Eind 2011 lag voor bijna de helft van de werknemers (48%) die deelnemen aan een sectoraal aanvullend pensioenplan de bijdrage lager dan 1% van het loon. Slechts 1% van de begunstigden van een sectoraal pensioenplan genoot van een bijdrage van meer dan 1,75%.

De gemiddelde bijdrage is ook gedaald van 1,26% in 2009 naar 0,91% in 2011. Dat jaar bedroeg het gemiddelde kapitaal van het sectoraal aanvullend pensioen (gevormd na 2000) een eenmalige storting van 2.206 euro.

 

Loonplafond

Er wordt geargumenteerd dat het verschil tussen de aanvullende pensioenen normaal is omdat het aanvullend pensioen voornamelijk bestemd is voor werknemers die meer verdienen dan het loonplafond bij de berekening van het pensioen. Zij hebben in verhouding inderdaad meer bijgedragen aan het wettelijke pensioenstelsel en hun pensioen vertegenwoordigt een verhoudingsgewijs kleiner aandeel van hun laatste loon.

 

Voor sommige is het dan ook logisch dat ze een hoger aanvullend pensioen aanleggen.

 

We mogen echter niet vergeten dat de bijdrageverlagingen op aanvullende pensioenen onze sociale zekerheid 900 miljoen per jaar kosten. De aanvullende pensioenen worden dus in grote mate gesubsidieerd door onze sociale zekerheid. We kunnen dus terecht verwachten dat dit geld rechtvaardig wordt verdeeld onder de belastingplichtigen, wat vandaag niet het geval is.

 

Tot slot

 

Ook de aanvullende pensioenen ontsnappen niet aan het regeringsbeleid dat mensen wil dwingen om langer te werken. Zo kan je sinds 1 januari 2016 enkel nog je aanvullend pensioen opvragen op het moment dat je ook je wettelijk pensioen opneemt. Het wordt verboden om de gevolgen voor het aanvullend pensioen van vroeger stoppen met werken te neutraliseren, bijvoorbeeld door premies te betalen voor periodes van SWT. Dit gebeurde vaak om de gevolgen van herstructureringen voor de getroffen werknemers te verzachten.

Daarnaast werd het gegarandeerd minimumrendement voor vaste bijdragenplannen drastisch verlaagd. Zolang de economie sputtert, zal dit voor heel wat werknemers resulteren in een (nog!) lager pensioenbedrag.