‘t Is geen loterij... Iedereen wint erbij!

Opbouw van ons pensioenstelsel

De huidige vorm van ons pensioenstelsel ontstond met het Sociaal Pact in 1944. Voorheen was een pensioen een privézaak. Wie een appeltje voor de dorst wou voorzien, moest maar sparen. Pas vanaf de 19de eeuw nam de overheid een rol op in het pensioensysteem: in 1865 werd een Algemene Spaarkas ingevoerd. Dankzij de steun van de overheid konden bepaalde werknemers vrijwillig een pensioen aanleggen.

 

De volgende stappen leidden tot ons verplichte verzekeringssysteem:

  • 1865: oprichting Algemene Spaarkas
  • 1911: verplichte verouderingsverzekering voor mijnwerkers
  • 1924: verplichte verouderingsverzekering door kapitalisatie voor arbeiders
  • 1925: verplichte verouderingsverzekering door kapitalisatie voor bedienden

 

Kapitalisatie

Deze pensioensystemen waren gebaseerd op het principe van de kapitalisatie, dat wil zeggen dat je zelf bijdraagt voor je eigen pensioen. Het gaat dus om individueel sparen. Maar dit systeem schoot tekort, een groot gedeelte van het gespaarde geld werd ‘in afwachting van’ het pensioen voor andere doeleinden gebruikt. Talrijke arbeiders die hadden gespaard, overleden nog voor ze ervan konden gebruik maken. Dit systeem kwam dus eerder ten goede aan de hogere inkomens, aan wie de middelen had om geld opzij te zetten en van wie de levensomstandigheden veel beter waren en dus een langere levensverwachting hadden.

 

Repartitie

Na de Tweede Wereldoorlog maakte het Sociaal Pact het mogelijk de verschillende pensioenkassen voor werknemers samen te voegen en ontstond het systeem van repartitie of verdeling (toegepast vanaf 1950).

 

Het repartitiesysteem (of het wettelijk pensioen) werkt als volgt: zij die nu werken betalen niet hun eigen pensioen, maar dat van de huidige gepensioneerden. En wanneer deze werknemers ook met pensioen gaan, zullen het de jongere werknemers zijn die hun pensioen betalen.